Ruimte pakken in het curriculum: waarom dit hét moment is
- Angela Horsten
- 6 dagen geleden
- 6 minuten om te lezen
Een dag over de nieuwe kerndoelen, maar wat mij vooral bijbleef, was het gesprek over ruimte. De ruimte die er is – en de vraag of we die ook echt durven te benutten.
In haar keynote gaf Nienke van Nieveen daar woorden aan. Zij bracht het terug naar de essentie: curriculumontwikkeling is geen invuloefening, maar een gezamenlijke zoektocht naar wat we van waarde vinden voor onze leerlingen.
En misschien verrassend: een tompouce blijkt daarbij een treffende metafoor voor onderwijsontwikkeling.

Terug naar 2006 – en vooruit
De huidige kerndoelen stammen uit 2006. Het jaar waarin ik, samen met een aantal leerkrachten, een nieuwe school startte.
We maakten toen bewuste keuzes: vanuit de kerndoelen, maar vooral vanuit onze visie. We brachten samenhang aan en maakten doelen betekenisvol – voor leerlingen én voor onszelf.
Tegelijkertijd zagen we dat dit niet vanzelfsprekend was. Het bewust integreren van kerndoelen in een schooleigen curriculum bleek voor veel scholen geen gewoonte. De ruimte die er wél was, werd niet altijd gezien, gevoeld of benut.
Precies daar zit de kern van deze nieuwe ‘ronde’.
Terugkijkend realiseer ik me dat het curriculaire spinnenweb van Van den Akker toen al onbewust aanwezig was in ons denken en handelen. Later ben ik dit model bewuster gaan gebruiken, juist omdat het zo krachtig richting geeft en helpt om de verschillende onderdelen van het curriculum met elkaar te verbinden.

Ruimte bestaat niet zonder richting
Nienke Nieveen zette het scherp neer:
Ruimte ontstaat pas als duidelijk is waar de grenzen liggen
De nieuwe kerndoelen geven ons:
richting (wat is van waarde?)
én ruimte (hoe geven wij dat vorm?)
Maar ruimte is geen gegeven. Het is iets wat je moet pakken. Dat is iets wat je zelf moet doen, aldus Nienke Nieveen.
Het speelveld van verandering
Een van de beelden die bleef hangen, was de ontwikkelcurve.
Die laat iets zien wat we vaak vergeten:
verandering begint met energie en eerste successen
daarna komt stagnatie
gevolgd door een fase van twijfel of zelfs crisis
en pas daarna ontstaat echte groei
Veel vernieuwingen stranden precies in die middenfase.
Niet omdat het niet werkt,maar omdat we verwachten dat verandering lineair verloopt.
Dat doet het niet.
Sterker nog: wat we hier zien, raakt aan wat Otto Scharmer beschrijft in zijn Theory U.
Echte verandering vraagt dat we eerst vertragen en “naar beneden bewegen”:
loslaten van oude patronen
verdragen dat het even schuurt
ruimte maken voor nieuwe inzichten
Juist die fase – waarin het ongemakkelijk wordt en nog niet duidelijk is waar het naartoe gaat – is essentieel.
Maar dat is ook precies de fase die we vaak proberen over te slaan.
We willen door, we willen resultaat en we willen zekerheid.
Terwijl de echte beweging pas ontstaat als we het niet-weten even durven vasthouden.
Pas daarna ontstaat er ruimte voor iets nieuws.Voor groei die wél duurzaam is.
Begin bij de mens
Wat mij tijdens de dag opviel, was hoe sterk de nadruk lag op de mens achter de verandering.
In de keynote van Nienke van Nieveen werd dat op een mooie manier zichtbaar. Zij liet zien dat curriculumvernieuwing niet begint bij documenten, modellen of plannen, maar bij de vragen die mensen zichzelf stellen. En die vragen blijken verrassend voorspelbaar.
Nienke Overveen gebruikte hiervoor het CBAM-model (Concerns-Based Adoption Model).
Wat dit model eigenlijk zegt, is simpel, maar fundamenteel: verandering is geen besluit, maar een proces dat mensen stap voor stap doormaken.
In het begin zijn de vragen vaak nog verkennend:
Wat is dit eigenlijk?
Al snel worden ze persoonlijker:
Wat betekent dit voor mij? Kan ik dit wel?
Daarna verschuift de aandacht naar de praktijk:
Hoe moet ik dit doen? Hoe organiseer ik dit in mijn klas?
En pas later ontstaat ruimte voor de echte kern:
Werkt dit voor mijn leerlingen? Hoe kunnen we dit samen beter doen?

Wat Nienke scherp liet zien, is dat we in het onderwijs deze volgorde vaak omdraaien.
We starten bij de uitvoering en gaan meteen naar het “hoe” terwijl mensen vaak nog bezig zijn met het begrijpen en duiden van wat er eigenlijk van hen gevraagd wordt. En precies daar ontstaat spanning of weerstand. Niet omdat mensen niet willen, maar omdat ze nog niet zover zijn.
Dat betekent ook iets voor hoe we deze curriculumherziening aanpakken.
Niet alles dichtregelen. Niet meteen alles willen implementeren.
Maar ruimte maken voor:
betekenisgeving
gesprek
gezamenlijke verkenning
Zodat mensen niet alleen meedoen, maar ook echt eigenaarschap gaan voelen en kunnen aansluiten bij waar zij staan als professional.
Tegelijkertijd vraagt dit iets van ons in het spanningsveld waarin we werken. Externe druk, verwachtingen, systemen en tempo zijn vaak hoog. Juist dan is het de kunst om rust te bewaren en koers te houden. Om niet steeds mee te bewegen met alles wat van buiten komt, maar bewust te blijven handelen vanuit visie. Want hoe goed we ook weten hoe verandering werkt, in de praktijk blijft gedrag weerbarstig. Ook van onszelf.
Pas als mensen betekenis geven, komt een verandering echt in beweging.
Samenhang aanbrengen: willen, kunnen, mogen
Als we de stap maken van de mens naar de praktijk, wordt één ding direct duidelijk: curriculumontwikkeling staat nooit op zichzelf.
Het hangt altijd samen met twee andere domeinen: de professionele ontwikkeling van leraren en de ontwikkeling van de schoolorganisatie.

Willen – wat vinden we belangrijk? Waar staan we voor?
Kunnen – hebben we de kennis en vaardigheden om dit vorm te geven?
Mogen – krijgen we de ruimte, tijd en structuur om het ook echt te doen?
Pas als deze drie met elkaar in balans zijn, ontstaat er beweging.
Balans in beweging: de tompouce
Wat mij helpt om dit spanningsveld te begrijpen, is de metafoor van de tompouce die Nienke aanreikte.
Op het eerste gezicht een simpel gebakje, maar in de praktijk verrassend kwetsbaar.
Bovenin zit de roze laag: richting en houvast; vanuit visie, beleid en kaders.
Onderin zit de basis: van onderop bouwen. Daar waar het echte werk gebeurt. In de klas, in het team.
En daartussen zit de vulling. Daar waar curriculumontwikkeling, professionele ontwikkeling en schoolontwikkeling samenkomen.

Maar wat deze metafoor vooral laat zien, is de rol van de omgeving.
Van opzij is er steun van partners:
expertise
begeleiding
nieuwe inzichten
Die steun vraagt om zorgvuldigheid, want als er te hard wordt gedrukt, dan gebeurt er iets wat we allemaal kennen: de pudding loopt eruit. Teveel druk van buitenaf, teveel tempo, teveel tegelijk waardoor de samenhang verdwijnt.
De kunst is om het geheel in balans te houden:
duidelijke richting van bovenaf
eigenaarschap en beweging van onderop
en steun van buiten die versterkt in plaats van drukt
Onderzoekend de ruimte benutten
Wat mij tijdens de workshop van het Kohnstamm Instituut raakte, was een manier van werken die hier goed op aansluit: een onderzoeksmatige aanpak.
Niet starten met het invullen van de nieuwe kerndoelen, maar met het verkennen ervan, vanuit nieuwsgierigheid.
Niet meteen de vraag: Wat moeten we doen?
Maar eerst: Wat zien we? Wat vraagt dit van onze leerlingen? En wat betekent dit voor ons onderwijs?
Een onderzoeksmatige cyclus helpt om die ruimte bewust te benutten:
een scherpe onderzoeksvraag formuleren
relevante kennis en theorie verzamelen
samen ontwerpen
in de praktijk uitproberen
en vervolgens evalueren en verduurzamen

Wat deze manier van werken krachtig maakt, is dat het vertraagt en juist daardoor verdiept.
Het voorkomt dat we te snel in oplossingen schieten of bestaande structuren simpelweg opnieuw invullen.
In plaats daarvan ontstaat ruimte voor:
gesprek
gezamenlijke duiding
en het maken van bewuste keuzes
Niet het snel implementeren van nieuwe kerndoelen, maar het samen onderzoeken wat ze betekenen voor jouw school en vandaaruit bewuste keuzes maken met elkaar.
Klein starten, groot denken
Nieuwe kerndoelen, nieuwe inzichten, nieuwe kansen. Het voelt als een moment om het anders te doen. En juist daar zit ook het risico.
Want duurzame verandering ontstaat niet door alles tegelijk te willen veranderen, maar door bewust te kiezen waar je begint. Door te kijken wat al werkt, wat past bij je visie en waar beweging mogelijk is. Niet alles hoeft opnieuw; soms zit de kracht juist in het versterken en verbinden van wat er al is.
Klein starten dus.
Bij een thema waar energie zit. Bij een team dat wil. Bij een vraag die ertoe doet.
En tegelijkertijd groot blijven denken.
Niet als losse actie, maar steeds in relatie tot het geheel.
Steeds de vraag blijven stellen: Hoe draagt wat we nu doen bij aan ons grotere verhaal?
Daarin helpt het om het spinnenweb van Van den Akker erbij te blijven houden. Zodat keuzes niet op zichzelf staan, maar verbonden blijven met visie, doelen, didactiek en toetsing.
Klein starten betekent dus niet klein denken. Het betekent gericht beginnen, en ondertussen het grotere geheel blijven zien.




Opmerkingen